Wederom hoog smartengeldbedrag na medische misser: € 200.000

Op 21 maart 2017 jl. deed de rechtbank Rotterdam uitspraak in een deelgeschil tussen de nabestaanden van een patiënt en de verzekeraar van de behandelend arts. De rechtbank meent dat de arts ernstig medisch verwijtbaar heeft gehandeld en stelde daarom de smartengeldvergoeding vast op €200.000.

Al eerder werd in een andere letselschadezaak €200.000 toegewezen aan een letselschadeslachtoffer. Maar worden smartengeldbedragen nu steeds hoger? In het geval van het deelgeschil keek de rechtbank naar bestaande jurisprudentie uit het verleden. Zo kreeg de patiënt in 2007 verschillende nieronderzoeken, maar bleek in 2013 dat er een tumor in de nieren zat, waardoor overlevingskansen nihil waren. De arts had niet snel en adequaat genoeg gehandeld door chirurgisch in te grijpen, aldus het oordeel van de rechtbank. Daardoor stelde de letselschadeadvocaat van het slachtoffer de immateriële schade vast op een half miljoen euro. De rechtbank oordeelde dat de letselschadezaak het meest overeenkwam met de immateriële schade die een aidspatiënt in 1992 leed, doordat deze in een ziekenhuis met besmet bloed werd ingespoten. In dit specifieke geval kreeg de patiënt een smartengeldbedrag van € 139.134 toegewezen. Dit bedrag is inmiddels geïndexeerd naar € 229.559. Overigens haalde de rechtbank in de uitspraak ook aan dat in geval van vergelijkbare buitenlandse letselschadezaken hogere bedragen worden toegekend dan de Nederlandse rechtbank doet. Echter, in andere landen wordt volgens de rechtbank niet hetzelfde onderscheid gemaakt tussen vermogensschade en smartengeld als in Nederland, aldus de rechtbank. In bijvoorbeeld de Verenigde Staten bestaat er een systeem waarin het smartengeld een bestraffend element omvat. Dit kan dus niet met het Nederlandse stelsel worden vergeleken.